Eens in de zoveel tijd heb je van die games die de ene na de andere tien in ontvangst mag nemen door de pers. Denk maar eens aan een Okami, een Psychonauts of een Beyond Good & Evil bijvoorbeeld. Allen waren het spellen die zó erg gewaardeerd werden (of eigenlijk: nu nog steeds) door menig gamejournalist, dat je er eigenlijk gewoon van uit kon gaan dat ze als warme broodjes over de toonbank zouden vliegen. Klinkt bekend in de oren? Inderdaad, precies het verhaaltje over de schaapjes! Maar o, o, o, wat liep dat toch anders…
Want in tegenstelling tot de torenhoge cijfers die deze klassiekers (althans, in de ogen van de pers dan) kregen, liep het met de verkopen beduidend minder goed af. Natuurlijk, de eerder genoemde titels zijn alleen in je eentje te spelen. Ze brengen weliswaar een enorm vette ervaring met zich mee, maar heb je het spel eenmaal achter de kiezen, dan is het vaak over en uit met de pret. Wat dat betreft biedt een multiplayer zo veel meer: het gevecht wat je eerder aanging tegen de kunstmatige intelligentie wordt vervangen door spelers van vlees en bloed. Je kunt dus vrolijk verder gaan met datgene wat je het liefst doet in een dergelijk spel, met als bijkomstig voordeel dat je de tegenstander lekker kunt vernederen, inclusief een voldaan gevoel.
Maar wat als een spel beide modi heeft, niets dan lof ontvangt en de ene na de andere award in de wacht sleept, maar nog steeds geen aansluiting vindt bij het publiek, dan begin ik toch zowaar medelijden te krijgen met ontwikkelaars. Zo ook bij Company of Heroes. Deze RTS-game van ontwikkelaar Relic had alles in zich om de rest van de strategiespellen in één klap van de kaart te vegen. Pak de scores er maar eens bij. Terecht overigens: volledig te vernietigen bekende omgevingen en tot in de puntjes gedetailleerde voertuigen maakten het spelen één feest van herkenning (voor zover je een oorlog een feestje kan noemen dan). Ja, audiovisueel gezien was (en eigenlijk nog steeds, helemaal dankzij DirectX 10) het een pareltje. Een akelig grimmige uitvoering van de Tweede Wereldoorlog misschien, maar ó zo lekker uitgewerkt.
Een Sherman tank tegen een gevreesde Tiger tank. Niet bepaald een eerlijke match.
Wie viel er nou niet om van verbazing bij het eerste keer zien van het gebruik van het Howitzer-kannon? Eerst een oorverdovend geluid, dan een moment van stilte
en dan
wham! Een immense vuurzee, gepaard met een enorme rookwolk verschijnt vervolgens op je scherm! De brokstukken vliegen vervolgens je letterlijk om de oren en manschappen, die zich helaas op het verkeerde moment en op de verkeerde plek bevinden, worden de lucht in gelanceerd. Anderen worden juist ronduit bruut weggeslingerd door de impact van het vuur. Eén ding is zeker: overleven zat er niet meer bij. Intens!
Ook de gameplay mocht er wezen. Denk bijvoorbeeld aan het perfect uitgewerkte flanksysteem wat we kennen uit Brothers in Arms. Het maakt echt uit waar je manschappen zich bevinden, of hoe een tank gepositioneerd staat ten opzichte van jouw bazooka. Naast dat het er enorm cool uit ziet, werkt het ook nog eens enorm lekker. Het systeem van de resources zoals we die al eerder tegenkwamen in Warhammer 40K: Dawn of War (nog zo’n ondergeschoven kindje van Relic) was in Company of Heroes ook van de partij. Drie typen van resources, te weten Manpower (voor het uitpoepen van infanterie en tanks), Munition (voor de speciale vaardigheden van belang) en Fuel (geen enkel voertuig kan zonder) rolden automatisch binnen, zolang je die specifieke locaties maar te pakken had. Dat het hele spelletje uiteindelijk om die punten op de map draaide maakt vrijwel niets uit: de game was heerlijk verslavend en wist zich écht te onderscheiden van het grote gros van strategiespellen. Al was het alleen maar omwille het feit dat alles - en dan ook écht alles - kapot kon.
Ook volledig ingezoomd staat Company of Heroes gegarandeerd zijn mannetje.
Maar waarom greep het dan niet elke RTS-fanaat bij de keel? Ligt het aan de über-generieke naam (inclusief clichématige voorkant)? Het past, ik geef toe, te goed in het standaardrijtje van een Medal of Honor, een Call of Duty en brr
Hour of Victory. Iets wat het spel eigenlijk te kort doet. Of was het misschien dan toch het genre waarin Company of Heroes zich afspeelde? Het strijdtoneel van de Tweede Wereldoorlog hadden we immers al in zoveel games gezien (vaak tot groot ongenoegen van velen). Zelf wel een liefhebber van een portie geschiedenis op zijn tijd, moet ook ik bekennen dat ik het spel waarschijnlijk had afgestempeld als de zoveelste strategy game in een Tweede Wereldoorlog-jasje, ware het niet dat ik in aanraking kwam met de bèta. Welke overigens wél weer door iedereen warm onthaald werd, dat dan weer wel! Ook de later verschenen demo werd flink gespeeld. Aan animo geen gebrek dus. Dat beloofde wat voor als de game daadwerkelijk uit zou komen.
Maar damn, viel dat alleen even tegen! Goede verkopen ten spijt, in de praktijk zitten zo’n 800 man per dag dit spel op Relic’s eigen online dienst genaamd Relic Online te spelen. Op drukke dagen ligt dit getal zo rond de 1200. Ter vergelijking: op het hoogtepunt van Warcraft III: The Frozen Throne lag het spelersaantal op een niet geringe 300.000! En dat was alleen maar op - hou je vast - de Europese servers. Relic Online is wereldwijd. Slik!
Echt, wáár ging het nou exact mis?! Hoe kan het dat zo’n spel, met zoveel tienen op de lijst, uiteindelijk zo weinig spelers weet te trekken? Een tijdje terug kwam er gelukkig het nieuws dat Relic bezig was met een (stand-alone!) aanvulling, Company of Heroes: Opposing Fronts genaamd. Het is te hopen dat men nu wel de aandacht krijgt die het verdient. Want serieus, een strategy game dat qua sfeer en intensiteit (die explosies, die knallen, die kraters, die rondvliegende lijken en brokstukken!) waarschijnlijk nog het dichtst bij komt bij de échte oorlog… dat móet gewoon een groter publiek krijgen!