
Eén minuut stilte. De gamefilm is dood. En in tegenstelling tot Dracula (o sorry, Dracul’a), hoop ik dat-ie ook nooit meer tot leven wordt gewekt.
Het script dat hoogstwaarschijnlijk gebruikt wordt voor de live-action verfilming van Castlevania is gerecenseerd door een Castlevania-liefhebber. Iemand die begrijpt wat de franchise zo krachtig maakt. Iemand die snapt dat Castlevania in principe weinig te maken heeft met Dracula zelf. Iemand die bij de woorden ‘Vampire Killer’ een net zo grote glimlach krijgt als een Nintendo-fanboy bij de woorden ‘Master Sword’. Iemand die het nummer Bloody Tears in tig verschillende versies op zijn MP3-speler heeft staan. Iemand die Castlevania snapt.
Dat Paul W.S. Anderson (nee, niet de getalenteerde Paul Anderson van There Will Be Blood, da’s iemand anders.) het niet snapt, blijkt uit zijn abominabele script, dat weinig meer met de gamereeks te maken heeft. Zelfs het vreselijke Van Helsing had nog meer raakvlakken met Konami’s hitserie. Bah.
Weg is de heilige zweep, weg is die prachtige verzameling mythische wezens (Medusahoofden, meermannen, het monster van Frankenstein, de dood), weg is die jaren-tachtigsfeer waarin een gespierde, chagrijnige, rokkendragende motherfucker flessen heiligwater gooit en al dat demonisch gespuis weer terug naar de hel stuurt. Weg is de jazzy rockmuziek met een gothisch tintje (die wordt waarschijnlijk vervangen met Evanescence of zo).
In ruil daarvoor krijgen we een slap aftreksel van Bram Stoker’s Dracula, waarin lukraak met namen zoals Belmont is gegooid om de titel van het script ietwat te rechtvaardigen.
Het hoeft van mij niet meer. Laat films maar lekker linksaf gaan en games rechtsaf. Ik geloof er gewoon niet meer in. Iedereen die wél snapt hoe een gamefilm gemaakt moet worden, werkt immers allang in de game-industrie (of schrijft op een blog over games, ha).
