Op maandag schrijft Rogier Kahlmann over games in de breedste zin van het woord. Niemand is veilig voor Kahlmann, vooral hijzelf niet.

Op een podium beloven gewiekste en welbespraakte studiohoofden en CEO’s ons betere tijden, als politici op zeepkisten. Er wordt gesproken over ongekende pracht, baanbrekende physics, nieuwe dimensies, en nooit eerder vertoonde motioncontroltechnieken. De utopie mensen! Hij is nabij.
Journalisten beschrijven hun wonderlijke bevindingen als toegewijde apostelen op internet en in bladen. Ze verschillen licht in interpretatie, maar de boodschap is eenduidig: er staan ons wonderen te wachten! Wie herinnert zich de eerste beelden en informatie rond spellen als Haze en Brothers in Arms? Wie herinnert zich de opwinding nog? Van kritiek wilden we niets horen toentertijd, we zouden en moesten het goed vinden en we deinden maar wat graag mee op de zoete woorden van de boodschappers die in achterafzaaltjes exclusieve beelden zagen.
Ik weet nog goed dat Boris van Gamekings bijna wekelijks kwijlde over Hell’s Highway, de laatste Brothers in Arms, die allang uit en vergeten is. De graphics die hij had gezien, de indruk die dat spel op hem maakte, deden hem wekelijks gepassioneerd verslag doen. Ik twijfelde niet aan zijn gevoelens en doe dat nu nog steeds niet. Hij was daadwerkelijk in een waan en ik waande graag met hem mee. Het zou inderdaad geweldig worden, alle spellen die werden aangekondigd zouden geweldig worden.
Maar de meeste beloftes begonnen enkele maanden later hun scheurtjes te vertonen. Previews verschenen waarin journalisten voorzichtig terugkwamen op wat zij dachten te hebben gezien. De realiteit begon zijn intrede te doen en opeens leek de aanwezigheid van alcohol en boothbabes op deze perstrips zich te verklaren. ‘Die trailer toen bleek toch CGI.’, ‘Niet alles blijkt stuk te kunnen.’ En, ‘De lag van Kinect is toch wel erg.’ De feestelijkheden rondom nieuwe spellen en hardware bleken een kunstmatige oase van seks, games en cocktails die in niets leek op onze feitelijke hobby. Het was maar afleiding die de aandacht weg moest trekken van een ontnuchterende waarheid.
De topgame die we een jaar geleden op E3 zagen is nu dan eindelijk uit en eenmaal thuis installeren we onszelf tussen stoffig Ikea-meubilair en pakken we onze vettige controllers van de grond. We hebben het spel in huis, maar de fantasie die er ooit bij hoorde is verdwenen. De omgeving alleen al contrasteert hevig met de droombeelden van toen. We starten het spel op, staren naar een laadscherm, en enkele seconden later drukken we op knopjes. We drukken op knopjes zoals we altijd al op knopjes drukten. Binnen een kwartier zijn we weer verveeld.
De bewegingssensitieve hype zal ook een deceptie blijken (die les had Nintendo ons al moeten leren), en dus, terwijl we weemoedig naar weer die extra ongebruikte accessoires, en die veel te duurbetaalde nieuwe game kijken, doen we onze computers weer uit, staren we naar buiten en vragen we ons af wat er op de volgende beurs aangekondigd zal worden. Een patroon dat zich herhaalt tot onze dood.
