![]()
Harry Hol op dinsdag.
Beeld: Paul Veer.
De tweede helft van februari heeft altijd twee nogal slechte invloeden op me. In de eerste plaats word ik *altijd* verkouden rond Carnaval. In de tweede plaats wil ik in deze periode *altijd* ergens Linux op installeren.
Ik weet niet welke van de twee problemen het ergste is. Ja, het is ontzettend lastig om me niet goed op mijn werk te kunnen concenteren; om veel minder te kunnen schrijven en geen zin te hebben in een goed boek of leuke game. Maar aan de andere kant is verkouden zijn ook geen pretje.
Mijn relatie met Linux gaat ver terug. De eerste keer dat ik met dit OS in aanraking kwam was in 1996, vlak nadat ik een internetabonnement bij Planet Internet had afgesloten. Deze twee gebeurtenissen hadden niets met elkaar te maken, want ik ontdekte Linux niet op internet, maar in de boekwinkel op de hoek. Daar stond SUSE Linux, in een doos met handleiding. Ik kocht het en installeerde het op de tweede partitie van mijn P100 met 8MB Ram.
Zelden heb ik zo veel gevloekt.
Die eerste versies van Linux hadden nauwelijks werkende drivers. Van geluidskaarten had het nooit gehoord (haha!) en om een inbelverbinding tot stand te brengen moest ik diverse configuratiebestanden aanpassen.
Toch zette ik door, net zo lang tot het allemaal werkte, en ik mijn voorheen Windows 95 PC met een veel geavanceerde command prompt en shell scripts kon bedienen. Want Linux was gecompliceerder en dus - in mijn koortsige nerd-brein - beter dan Windows.
Na een weekje stoeien kwam ik er echter achter dat ik, als ik werkelijk iets nuttigs wilde doen (zoals Wing Commander IV of Privateer II: The Darkening) ik moest herstarten in Windows. Gamen op Linux bleek dan wel ‘gratis’ maar betekende ook een eindeloze rij schaak-, snake- en Civ-games waar ik toen echt niet op zat te wachten.
Ubuntu
Toch is Linux me om onverklaarbare redenen onder de huid gaan zitten. Het is een soort seizoensobsessie die, zoals ik al aangaf, iedere februari de kop opsteekt en me doet verlangen om X te configureren, en KDE naar smaak aan te passen, en een Apache-server te draaien. Het rationele deel van mijn brein weet dat het een totaal nutteloze bezigheid is, waar ik zeker een weekend vloekend mee door moet brengen. Want hoewel Linux inmiddels wel een paar drivers heeft, en USB ongeveer weet te vinden, is het installeren van bijvoorbeeld een draadloos netwerk met USB-dongle weer een nachtmerrie van Lovecraftiaanse proporties. Het is blijkbaar makkelijker om een poort naar de hel te openen dan een Wifi(spreek uit ‘wai fai’, NIET wie fie)-verbinding te maken met mijn router.
Vanavond probeerde het Linux-geïnfecteerde deel van mijn brein me nog te overtuigen dat ik tegenwoordig vast alles zou kunnen met Linux! Zelfs gamen! Helaas wijst Google mij op de feiten: behalve die eeuwige Civ II-kloon zijn er een aantal bijzonder krakkemikkige open source-spelletjes die (wauw!) polygonale beelden hebben, plus een emulator getiteld ‘Wine’ waarmee een handvol Windows-spellen *net* niet lekker draaien.
Het is dus ook dit jaar een volslagen zinloze oefening, dat enkel bijdraagt aan een creatieve woordeschat als ik in mijn blinde woede voel dat ‘FUCK’ niet meer voldoende is.
Volgend weekend moet het er maar van komen. Ubuntu, here I come.
