
Twee weken geleden besloot de Hoge Raad dat het stelen van virtuele objecten in games strafbaar is. Dat zat er natuurlijk dik in.
Ga maar na: een 14-jarige jongen mishandelt een 13-jarige en bedreigt hem met een mes, en dwingt hem zo een masker en een amulet af te staan in het online spel Runescape. Het is duidelijk dat het slachtoffer zijn spullen niet zomaar opgeeft, en wie zonder toestemming afpakt wat voor iemand van waarde is, begaat diefstal.
Of zoals het gerechtshof stelt: de wet “beschermt de beschikkingsmacht van de rechthebbende op een goed”, ook in het geval van “niet-stoffelijke” goederen.
Het onderscheid tussen stoffelijk en virtueel is arbitrair, een erfenis uit een minder digitale tijd. Of je nou de echte wereld in je opneemt of een game speelt, in je hoofd gebeurt ruwweg hetzelfde: je construeert een versimpelde versie van die ruimte, een schaalmodel van het origineel. Als je in een game wordt opgeslokt, ervaar je die werkelijkheid net zo waarachtig als de fysieke werkelijkheid. Ook als de beelden imperfecties vertonen, of zelfs helemaal abstract zijn.
Bovendien kun je lang en hard nadenken over de vraag of de echte wereld nou wel zo echt is, of eerder een handige gezamenlijke afspraak.
Kortom, het is niet gek dat je baalt als je wordt beroofd in Runescape. Het hof verwoordt het als volgt: “Voor het slachtoffer, de verdachte en zijn medeverdachte hebben hun in het spel door inspanning en tijdsinvestering opgebouwde bezittingen reële waarde.”
De boel wordt enigszins gecompliceerd door de gebruiksovereenkomst van veel games, de lap juridische tekst die je wegklikt bij de installatie. Die legt namelijk op dat het masker en amulet nooit eigendom van het slachtoffer zijn geweest. Hij mocht ze alleen, zolang het duurde, gebruiken.
Een simpel ‘je mag niet stelen wat van de ander is, ook in een game’ voldoet dus niet. Ook al omdat er genoeg spellen bestaan waarin stelen een deel van de spelregels is, bijvoorbeeld role-playing games waarin je de rol van dief op je neemt.
Daarom is de uitspraak zo specifiek in zijn bewoording: “Het slachtoffer heeft binnen het spel de feitelijke en exclusieve beschikkingsmacht over die objecten.” Ze zijn dan wel niet van hem, hij kan er wel als enige over beschikken.
Dat is dus alsof je een ijsje koopt in de Efteling, en het ijsje van het park blijft. Je mag eraan likken, maar als je het bij de uitgang nog niet ophebt, moet je het inleveren. Moet de Efteling dat mogen? Lijkt me niet. Maar in games is het heel gewoon.
Hier komt ongetwijfeld ooit wetgeving voor, want de virtuele wereld is echt, en wordt alleen maar echter. Wen er maar vast aan.
