
In zijn opiniestuk Elkaars taal leren twijfelt Rainier Jaarsma aan het nut van mijn keuze om te praten over de Medal of Honor-controverse bij De wereld draait door. Hieronder mijn reactie. Het is een wat lang verhaal, excuses daarvoor, maar ik vertel graag meer over de spagaat tussen onderzoeken en gamer zijn, hoe tv werkt en waarom ik dit een belangrijk onderwerp vind.
Expert op het gebied
Allereerst kort mijn achtergrond. Die woog zwaar bij mijn keuze om aan dit item mee te werken. Het item, zo gaat dat bij tv, is van tevoren zeer uitvoerig telefonisch doorgesproken met een DWDD-redacteur. De eerste en belangrijkste vraag vanuit de redactie is dan: “Ben je expert op het gebied”?
Om daar antwoord op te geven: ja. Al meer dan zeven jaar ben ik bezig met onderzoek naar de interactie tussen krijgsmachten, het militair-industrieel apparaat (bedrijven die primair voor het leger werken, ook bouwers van bijvoorbeeld simulaties) en de entertainmentindustrie. Ik heb over dit onderwerp redelijk wat wetenschappelijk gepubliceerd. Ik zeg dat niet zo van “kijk mij nou effe stoer zijn”, maar omdat publiceren voor onderzoekers erg belangrijk is (in gametermen: je verdient er punten mee, zodat je kan levelen).
Maar, stelt Rainier, wij hadden de oproep moeten negeren, want “er valt helemaal niets te halen in een item dat wederom een game bespreekt die veel mensen tegen het zere been trapt”. Dat zie ik anders - overigens komt een deel van mijn argumenten overeen met de commentaren onder Rainiers stuk.
Waarom wel
Ten eerste: Medal of Honor bestaat. Of je het nu wilt of niet, samen met Halo Reach en straks Call of Duty: Black Ops, is het een van de blockbusters van dit najaar. Het shootergenre is (zeer) groot, zowel wat betreft inkomsten als de mate waarin het gegrond is in de gamecultuur. Enkel om deze reden zou het negeren van dit onderwerp al raar zijn.
Ten tweede is Medal of Honor onderwerp van aanzienlijke discussie en dus, wederom, of je daar nu blij mee bent of niet, journalistiek relevant.
Juist omdat het spel mensen tegen het zere been trapt, is het zaak dit te duiden (als onderzoeker), en dat probeerde ik te doen op televisie. Ik probeerde uit te leggen dat er iets dubbels zit in deze games. Het gaat om zeer serieuze thema’s (zoals de dood), maar veel mensen kunnen dat niet rijmen met de vorm (een spel). Serieuze games bestaan niet, zo is het vooroordeel.
Wat ik wilde aanstippen is dat deze games, op hun eigen manier, serieuze thema’s kunnen aanstippen. Maar ook dat dat op dit moment halfslachtig gebeurt (er is een hoge mate van zelfcensuur onder spelmakers) omdat gewelddadige games en met name oorlogsgames op een goudschaaltje gewogen worden. Deels terecht, maar vanuit een mediavergelijkend perspectief vaak ook heel hypocriet. Dat Six Days in Fallujah er (misschien) niet komt vind ik verschrikkelijk jammer.
Ten derde staat Medal of Honor voor veel meer. Er groeit een generatie gamers op die oorlog enkel virtueel ervaart. Alleen al daarom moeten onderzoekers en journalisten over dit onderwerp discussiëren. Deze discussie gaat niet alleen om games zelf, maar ook om de relatie tussen oorlog en games (en de gameindustrie). Deze discussie had ik nog veel meer aandacht willen geven in DWDD, maar daar was de ruimte niet voor. Zo werkt tv en daar kan ik mee leven.
Kortom, ik vind dat er juist enorm veel te halen is bij een item over Medal of Honor. De discussie over oorlog en games brengt heel veel vraagstukken samen die relevant zijn voor het medium. Bijvoorbeeld de samenwerking tussen de gameindustrie en het leger, de representatie en simulatie van zoiets verschrikkelijks als oorlog, het ontrafelen van de de dominante ideologieën die in veel shooters zitten, en de (on)mogelijkheden van het medium.
En, ik kan het niet vaak genoeg benadrukken, ik vind dat je shooters serieus moet nemen, al is het maar omdat ze zo’n wezenlijk onderdeel uitmaken van onze populaire cultuur.
Braid?
En dan Braid. Waarom niet Braid op tv in plaats van Medal of Honor, zoals Rainier suggereerde? Het antwoord op die vraag is vrij simpel. De wereld draait door is een actualiteitenprogramma. Er is geen aanleiding (geen “haakje” of “hard nieuws”) dat redacteuren zou doen besluiten om aan dit spel aandacht te geven. Ik heb bijzonder weinig invloed op die dynamiek.
Maar dan nog zou ik niet zo snel voor Braid gekozen hebben. Braid is een goed voorbeeld van een spel dat je moet spelen om te begrijpen. Met alle wil van de wereld denk ik niet dat het gelukt zou zijn op TV om aan de gemiddelde DWDD kijker uit te leggen hoe Braid “werkt”. Dat is echt een aantal stappen te ver.
Als je elkaars taal wilt spreken, begin je niet met een filosofische verhandeling, dan begin je met “hallo” en “hoe gaat het”. Zo bekeken is Medal of Honor ongeveer op het niveau van “hallo” (en dan volgt een ontploffing). Dat is ook meteen mijn kritiek op het spel. Van wat ik ervan gezien heb heeft het spel, zoals de gemiddelde shooter, bijzonder weinig diepgang. En daar moeten wij, critici, journalisten, fans, gamers, geïnteresseerden, het juist over hebben. Rainier noemt het mooi een “traject van emancipatie”. Ben ik het mee eens, al is dat traject een lange weg met veel hobbels.
Verdediging
En dan het laatste, misschien wel belangrijkste punt. Wat is je rol als onderzoeker in dit geheel? Daar worstel ik al jaren mee, zeker als het om oorlogsgames gaat. Dat legde ik ook uit. Ik vind deze spellen leuk om te spelen, wat helpt bij het onderzoeken, maar ik vind het lastig uit te leggen waarom (zeker dus aan mijn oma). Als onderzoeker moet je toch een zekere mate van kritische distantie hebben, maar dat is lastig als je jezelf ook gamer voelt. Oftewel, een hoge mate van ambivalentie.
Maar “afstand nemen van Medal of Honor”? Ik wil proberen uit te leggen waarom dit spel interessant is, maar ook wat er niet aan klopt. Waarom er controverse is ontstaan en waar die vandaan komt. Wat deze hele discussie (in ieder geval voor mijzelf) lastig maakt is dat ik vooral niet een onvoorwaardelijk verdediger van het medium wil zijn. Dat zou mij een slecht onderzoeker maken, vind ik. Hoewel dat niet altijd lukt, vind ik dat onderzoekers en journalisten vooral moeten helpen bij het begrijpen van dit verschrikkelijk fascinerende medium. Maar begrijpen is iets anders dan koste wat kost goedpraten.
Deze worsteling zou voor gamejournalisten niet nieuw moeten zijn. Als hij dat wel is, is dat veelzeggend. Als je oprecht gelooft dat je met hoge cijfers, schouderophalen en het uit de weg gaan van elke discussie denkt dat het medium ook maar enig bestaansrecht gaat krijgen, tja…
Medal of Honor stelt de industrie niet in een kwader daglicht dan deze al staat. Het lijkt erop dat het een middelmatige shooter is die kiest voor ontploffingen boven enige vorm van verdieping (zeg ik onder voorbehoud). De enige manier om dat kwade daglicht minder kwaad te maken is om een kritische discussie te voeren over de inhoud van het spel en de context (van industrie en spelers).
Geweld hoort bij de populaire cultuur, dat is altijd zo geweest. Het lijkt mij veel beter om ons hardop af te vragen waarom deze games zo populair zijn en hoe deze games net iets betekenisvoller kunnen worden, dan net doen alsof ze niet bestaan. Misschien heeft Rainier Jaarsma uiteindelijk niet zozeer moeite met de makers, mij, DWDD of het spel, maar met de miljoenen spelers die Medal of Honor kopen. Dat zou ik dan weer niet geheel onterecht vinden. Maar ik ga Medal of Honor toch ook spelen? Echt wel.
