
Momenteel verblijf ik in de Verenigde Staten, in het zonnige en subtropische Charleston, in South Carolina. Ik studeer hier binnen het kader van mijn studietraject in de Amerikanistiek. Hier begon in 1861 de Amerikaanse Burgeroorlog; South Carolina was de eerste staat die zich afsplitste van de Union. Charleston staat in de VS ook wel bekend als de ‘Holy City,’ vanwege de overvloed aan kerken in het stadscentrum. Bashers in de Bible-Belt dus.
Tijdens mijn verblijf hier praat ik met veel christelijke jongeren over hun ervaringen met games. Hun beeld van games is logischerwijs haast uitsluitend negatief. Natuurlijk spelen ze zelf ook wel graag eens een potje FIFA. Ik heb ze zelfs wel Modern Warfare 2 zien spelen. Maar de geest van Jack Thompson, die zo’n schamele 500 kilometer verderop zijn thuisbasis heeft, spookt hier wel degelijk rond. Grand Theft Auto IV is natuurlijk een prime example van excessief geweld in games, en het is dan ook geen wonder dat die game vaak wordt aangehaald als we het hebben over dit onderwerp. Kort door de bocht: in het oerconservatieve South Carolina staan games niet zo goed bekend.
Elkaars taal leren
De argumenten tegen games als GTA IV kennen we wel, en komen ook niet uit de lucht vallen. Kopiëren gamers het gedrag uit dat soort games, of gebruiken ze het als uitlaatklep? Hebben games invloed op kinderen of niet? Uit mijn interviews met Rob Wijnberg (inmiddels hoofdredacteur nrc.next) voor Gaming Only concludeerde ik al dat de discussie een beetje scheef loopt. Voorstanders en tegenstanders lijken zich niet op dezelfde hoogte te begeven. Aan de basis van dit soort discussies liggen altijd waarden die we voor lief nemen. Als een liberale atheïst met een conservatieve gelovige discussieert, dan is er weinig redden aan, want beide beredeneren op volstrekt verschillende wijzes, op basis van volstrekt verschillende waarden. Je zou kunnen zeggen dat ze simpelweg elkaars taal niet spreken.
Als je dus een soort middle ground wilt vinden, van waaruit de discussie wel zin heeft, dan is het enorm belangrijk dat je elkaars taal spreekt. Figuurlijke taal, welteverstaan. Vandaar dat ik onlangs een paar streng gelovige christenen uitnodigde om een videogame te spelen die hun wél aan zou spreken. Ik koos voor Jonathan Blows Braid. Braid bevat natuurlijk geen geweld, en is daarnaast een game die speelt met christelijke thema’s als vergiffenis en de strijd tussen goed en kwaad.

Ik kan gerust zeggen dat Braid een ongelooflijke impact op hen heeft achter gelaten. Iedereen was compleet verrast dat “er ook dit soort videogames zijn” en dat “games inderdaad als kunst kunnen worden beschouwd.” Hun beeld van games was dus gebaseerd op games waarmee ze bekend waren; spelenderwijs, of via de media. Dat is logisch, want hoe baseer je je beeld op iets dat je niet kent?
In de tijd waarin we nu leven zijn dit soort persoonlijke bijeenkomsten natuurlijk erg schaars, en ook relatief ineffectief. Ik kan wel de houding van een klein groepje christenen op zijn kop zetten, maar één nieuwsbulletin of media-item, misschien zelfs één column, heeft natuurlijk veel meer impact dan dit soort kleinschalige initiatieven. Vandaar dat ik ook met argusogen kijk naar de manier waarop belangrijke, invloedrijke media met games omgaan.
Niet elkaars taal spreken: DWDD
Op 5 oktober waren David Nieborg en Alexander Klöpping te gast bij De wereld draait door. Nieborg deed onderzoek naar America’s Army en werkt mee aan Bashers, en Klöpping kennen we als entrepreneur binnen de wereld van de nieuwe media. Onderwerp van gesprek was de controverse rondom Medal of Honor.
Het eerste probleem is al dat er een item over Medal of Honor zit in een populair en quasi-intelligent programma als DWDD. Als we kijken naar de mediacoverage van games in de afgelopen 10 jaar, dan kunnen we concluderen dat het in veruit de meeste gevallen gaat over gewelddadige games. Daarbij is het niet zo belangrijk of het nou positieve of negatieve coverage was; het punt is dat het onderwerp negatieve connotaties oproept. Eigenlijk hadden Nieborg en Klöpping de oproep gewoon moeten negeren, want er valt helemaal niets te halen in een item dat wederom een game bespreekt die veel mensen tegen het zere been trapt.
Maar goed, ze vervulden hun journalistieke plicht en traden aan tafel. Klöpping maakte de grond gelijk met alle kritiek rondom de nieuwe game. Met de opmerking “Ik wil gewoon schieten” spreekt hij misschien wel veel gamers aan, maar het probleem is dat die gamers toch al aan ‘onze’ kant in het debat staan. Zo versterkt hij alleen maar het beeld dat ‘de anderen’ bij videogames hebben; we blijven onvolwassen en relativistisch ten opzichte van de gruwelijkheden die een ‘echte oorlog’ met zich meebrengt.
Imagoschade
Nieborg zegt vervolgens dat “dit soort games nog realistischer moeten worden”. Ik ben het roerend met hem eens, maar het op nationale tv zeggen is niet handig. Tegenstanders van dit soort games zullen er alleen maar sterker door in hun schoenen komen te staan. Het probleem voor hen is dat dit soort games juist te ver gaan. Nieborgs argument klinkt voor een leek of voor een criticaster als een radicaal statement van iemand die schreeuwt in de woestijn. Ik ben het er mee eens dat spellen juist moeten choqueren en meer context moeten geven, maar het is sterk de vraag of choqueren de juiste manier is om respect te winnen bij je tegenstander. De rationale verklaring voor zijn argument, hoe goed onderbouwd ook, blijft simpelweg niet hangen in die paar minuutjes televisie.
Wat hadden ze moeten doen? For the sake of the just cause hadden Nieborg en Klöpping mijns inziens afstand moeten nemen van Medal of Honor. Ze hadden niet de game moeten prijzen vanwege het ‘realisme,’ (er is niets realistisch aan een oorlogsgame als je deze vergelijkt met echte oorlog) maar de game moeten bekritiseren omdat deze de gameindustrie wederom in een kwaad daglicht stelt. Ze hadden het geweld sterk moeten afkeuren, of ze het daar nou mee eens zijn of niet, en ze hadden ‘andere soorten’ games moet benadrukken, games als Braid. Want alleen door de taal van de opponent te spreken kan je hem overhalen.
