
Vooral sinds de doorbraak van virtuele, driedimensionale bewegingsvrijheid zijn free roaming-games niet aan te slepen. Van Grand Theft Auto III tot Fallout 3, de laatste jaren geven steeds meer (grote) titels je in feite een enorme zandbak om in te spelen. Het liefst met zoveel mogelijk mogelijkheden die je in het echte leven ook hebt, het doel van het spel is daar soms zelfs ondergeschikt aan. Maar wil ik dat eigenlijk wel?
De wereld ligt voor je open
Hoewel er tal van spellen zijn waarin vooral je bewegingsvrijheid ongekend groot is, was Super Mario 64 één van de eerste games waarin ik er zo zichtbaar mee geconfronteerd werd. De uitgestrekte velden, een kasteel om in te verdwalen en een stel flinke waterpartijen. Toch waren de meeste levels in dat spel (zeker vergeleken met nu) betrekkelijk klein en werden ze afgeschermd door muren of bodemloze afgronden.
Bij The Legend of Zelda: Ocarina of Time werd het me echter teveel. Na een lichtelijk claustrofobische ervaring in een holle boom (de eerste kerker), verscheen daar opeens het immens grote Hyrule Field. Voor de meeste spelers voelde dat misschien als een bevrijding, maar de eerste keer dat ìk het veld betrad ging het heel anders: ik vluchtte zo snel mogelijk de centraal gelegen boerderij in, om pas uren later voorzichtig een rondje langs de buitenmuren van het agrarische fort te maken. Later heb ik menig Zelda-game zonder al te veel problemen uitgespeeld, en liet The Legend of Zelda: The Wind Waker zelfs een oplossing voor mijn probleem doorschemeren…

Redding in de open werelden
Die fobie voor virtuele vrijheid en dito open werelden is echter altijd gebleven, en werd alleen maar sterker naarmate het doel van een spel vervaagde of versplinterde. Van Fallout 3 heb ik zo’n veertig uur lang enorm genoten, ook juist vanwege het verkennen van nieuwe omgevingen, maar daarbij had ik wel steeds een duidelijk doel om naartoe te werken. Toen er plotseling meer dan vijf verschillende locaties voor allerlei queestes op mijn kaart stonden, ben ik het spel ontvlucht en nooit meer teruggegaan.
Borderlands dreigde hetzelfde lot te ondergaan: op het punt dat ik een enorme vlakte ontdekte die meerdere (evenzo grote) gebieden met elkaar verbond, met overal verschillende missies, wist ik letterlijk niet meer waar ik het zoeken moest. Toch ontdekte ik in het barre cel-shaded landschap ook mijn redding, een element dat ontbrak in bijvoorbeeld Fallout 3: voertuigen! Dankzij de auto in Borderlands vond ik het opeens een stuk vermakelijker om van A naar B te rijden. En naar C, en D, et cetera. Dat verklaart ook waarom ik het eerder genoemde The Wind Waker, met grote dank aan Link’s zeilschip, juist wèl prima kon spelen (en nee, een paard reken ik niet als een voertuig).
De bevestiging van dat idee kwam onlangs, toen ik besloot om Test Drive Unlimited een tweede kans te geven. In het kader van toeleven naar de opvolger, haalde ik de illustere ‘massive multiplayer online racing game’ voor de Xbox 360 in huis. Na me even door het begin van het spel heen gebeten te hebben, gekenmerkt door tergend langzame beginnersauto’s en korte races rond dorpspleintjes, genoot ik al snel van het eindeloos rondscheuren in exotische sportwagens op een uitgestrekte eiland – zij het in het gezelschap van constant verschillende medespelers via Xbox Live.

Afspiegeling van het echte leven
Het klinkt eigenlijk te typisch: als de echte autofanaat die ik ben kan ik alleen met plezier een free roaming-game spelen als er in voertuigen (bij voorkeur op wielen) rondgesjeesd kan worden. Toch is dat niet helemaal waar: het door velen geliefde aankloten in Grand Theft Auto-games heeft me nooit echt aangesproken en Just Cause 2 verveelde me binnen enkele uren al. Beide titels hebben voertuigen te over, maar tegelijkertijd nog minder duidelijke doeleinden dan een game als Borderlands of een Zelda-titel. En in Test Drive Unlimited kun je je ook volledig toeleggen op races en dergelijke.
Juist openwereldgames ben ik gaan zien als een uiterst krachtige afspiegeling van het echte leven, waarin je in principe wordt geconfronteerd met dezelfde vrijheid en de verplichting tot het maken van eigen keuzes als in veel van de hierboven genoemde titels. Het geeft zulke games iets existentialistisch, naar de filosofische stroming die beschrijft dat je in het leven veroordeeld bent tot vrijheid en alles maar lekker zelf uit moet zoeken. Typisch genoeg ervaar ik het gewone leven niet als een ‘veroordeling tot vrijheid’, maar eerder als ‘het privilege vrijheid’.
Dus waarom heb ik dan zo’n natuurlijke afkeer van ‘free roamen’ in games? Feit is dat ik meer lol beleef aan een spel waarin mij verteld wordt wat het doel is en met welke middelen ik dat zo goed mogelijk kan bereiken. Wellicht omdat ik al genoeg zelf mag (moet!) bepalen in mijn gewone leven. Waarom zou je dat nog een keer willen doen? Ik kan me voorstellen dat het voor een tijdje wel leuk is om gewoon een beetje aan te kloten met de oneindige mogelijkheden, maar vroeg of laat zijn we toch allemaal op zoek naar een doel?
