
Het virtuele plein stroomt vol met mensen gehuld in zwarte shirtjes. Schreeuwerige logo’s en olijke paddenstoeltjes. Testosteron overheerst het plein, maar hier en daar prijkt er een dame in de menigte. Natuurlijk óók met een zwart T-shirtje, met daarop de tekst ‘Video games ruined my life… Good thing: I have two extra lives!’. Ja, we hebben te maken met gamers. Sterker nog: gamers die schrijven over games. En masse begint de grote groep te brullen en te tieren: ‘Wij willen gamejournalistiek, wij willen gamejournalistiek!’. Ze wapperen verwilderd met borden en spandoeken. Een revolutie is begonnen.
De gamejournalisten pleiten – na een lange borrelperiode en een klein duwtje door een heus debat – voor èchte journalistiek. Journalistiek met een hoofdletter, incluis gouden vakregels als hoor en wederhoor, check-check-dubbelcheck, objectiviteit, nieuwsgierigheid en natuurlijk het wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe. Maar om de protesterende menigte heen staat een nóg grotere cirkel met mensen. Jong en oud, al dan niet brildragend, met en zonder gameshirtjes: de gamers zelf. Zij schudden hun hoofd en halen hun schouders op.
Is het mogelijk om de ongeveer honderdvijftig gamesites (een mooi voorbeeld van anti-journalistiek: Gamehype telt honderddertig websites en dat zullen ze niet allemaal zijn, dus: plus twintig. Aannemelijk? Ja. Wetenschappelijk verantwoord? Nee. Maar waarom nemen we dit getal klakkeloos over als een vetgedrukt feit?) om te dopen tot journalistieke kunstwerkjes? Misschien. Zeg nóóit ‘nooit’. Maar dat is niet de strekking van dit verhaal. Dat verhaal is immers al vanuit verschillende invalshoeken onder de loep genomen. De vraag is of de klant, de gamer, de gigantische schouderophalende en hoofdschuddende menigte, überhaupt journalistiek verantwoorde teksten wil lezen. Mijn magnum opus (oftewel: eindonderzoek) biedt een ambigu antwoord: nee, maar ja.
Een nieuw, oud verhaal
Volgens het Nationaal Gaming Onderzoek 2009 (TNS Nipo) speelt 70% van de Nederlanders weleens een game. In 2008 was dat gemiddeld zo’n vier uur per week. Gamen wordt alleen maar populairder. De markt is er, zou je zeggen. Maar het merendeel van die 70% zal het een worst wezen hoe een game is gebouwd, of wat een Japanner met te veel ritsen op zijn kleding te zeggen heeft over de toekomst van videospelletjes.
Interesseert het de hardcore gamers (ga je mond spoelen!) wel? Misschien kan het hen ook allemaal geen fluit schelen en willen ze enkel recensies en impressies lezen. Dat is immers al jarenlang de fundering van menig succesvol gamemagazine. Bladen als GMR en (het deels vertaalde) GamesTM publiceerden stevigere artikelen, maar beide bladen liggen nu stevig onder de zoden. Wien Feitz, werkzaam bij F&L (de uitgever van GamesTM), vatte de hele situatie ongecompliceerd samen op een vraag van Niels ’t Hooft: “De vraag of er geen markt is voor bladen die gericht zijn op de oudere gamer lijkt me impliciet al beantwoord.”
De gamer heeft zowel GamesTM als GMR – die volgens hoofdredacteur Jesse Moerkerk stopte door ‘een combinatie van teruglopende verkoopcijfers en matige advertentie-inkomsten’ – hoogstpersoonlijk de ondergang gebracht door de bladen niet te kopen. Gamers blijven namelijk liever hangen bij de grote, oude, herkenbare Power Unlimited. Onder de ‘elite’ van gamejournalisten wordt weleens neerbuigend gedaan over de stijl van de PU. Een sterke, krachtige én informele stijl, die niet geliefd is onder ‘kritische’ gamejournalisten. De lezer smult er echter van, zo blijkt uit mijn onderzoek.
Maar liefst 61% van de 109 ondervraagden geeft aan liever informele teksten te lezen; 68% vindt het heerlijk dat de redacteur nadrukkelijk aanwezig is in de teksten. Dat het merendeel van de gamers de recensie en impressie als favoriet bestempelt (95% kan niet zonder de recensie) en dat de gamer het interview, nieuwsbericht en de column het minst interessant vindt, bevestigt dat diepgang ongewenst is.
Maar een klein groepje biedt dapper weerstand
Maar het antwoord is toch ambigu oftewel dubbel? Dat klopt. Je kunt de procentuele aantallen immers ook omdraaien. 39% heeft tabak van al die informele teksten van de ‘elite’. 32% wil niet meer lezen wat de kat van de redacteur van een bepaalde game denkt en of het beestje een drolletje deponeert op de hoes. Het merendeel (van de ondervraagden) is hoog opgeleid en wil dan ook serieus worden genomen. Het is toch zo’n, pak ‘m beet, 1/3e die verandering wenst. Dat is niet niks.
En natuurlijk, veel ondervraagden missen weinig tot niets in de huidige gamebladen (“meer Wii-nieuws” of “ik wil meer lezen over de PSP”), maar er is dus ook een deel dat wél smacht naar diepere berichtgeving. Zij schrijven dat “zelfkritiek en objectiviteit bij redacteuren volledig ontbreekt” en dat zij te veel “joligheid” hanteren. “Diepgang” en “serieusheid” ontbreken veelal in de huidige bladen. Een deel mist diepgaande interviews, scherp geschreven columns, verfrissende reportages en interessante achtergrondverhalen. Slechts één iemand durft te stellen dat hij nog steeds veel recensies en impressies mist. Gelukkig maar één persoon.
Ook een mening: “Gamebladen zijn met de komst van het internet niet meer nuttig. Als ik iets wil lezen kan ik zo naar Google gaan.” Dat is waarschijnlijk een van de redenen waarom bladen op het randje van de afgrond balanceren. Hierdoor hebben uitgevers er steeds minder geld voor over om de redactie daadwerkelijk op pad te sturen om een reportage of achtergrondverhaal te laten schrijven. Om over de prangende telefoonrekening maar te zwijgen. Hoor en wederhoor is een duur grapje, zeker wanneer je het persbureau wilt overslaan en rechtstreeks met de bron (een buitenlandse ontwikkelaar) wilt spreken. En wie betaalt voor duurdere journalistiek? De uitgevers in ieder geval niet…
De klant past waarschijnlijk ook, die geeft aan absoluut niet meer dan vijf euro te willen betalen voor een blad. Wat dat betreft hebben Feitz en Moerkerk gedeeltelijk gelijk. De markt is er (voorlopig!) niet groot genoeg voor. En van het grote gros gamers hoeft het ook allemaal niet zo nodig. “De gamer houdt van de oude vertrouwde genres,” schrijf ik in mijn aanbevelingen. En dat is ook zo, anders zouden de huidige gamebladen en –websites zich niet zo krampachtig vasthouden aan oude gewoontes. Maar misschien, héél misschien, zijn wij gamers net als boeren. Wat de boer niet kent, dat vreet-ie niet. ‘Boer’ blijkt dan een legitiem synoniem voor ‘gamer’. Dat verklaart meteen die overvloed aan Harvest Moon-titels die we maar blijven slikken.
Plus: het is heel natuurlijk om ‘nieuwe’ dingen te wantrouwen en te weigeren. Mensen vinden het vertrouwde al snel prima. Wij mensen zijn van nature conservatief. Het was Henry Ford die zei: “If I had asked people what they wanted, they would have said faster horses.” Maar Ford luisterde niet naar zijn klanten. Hij begon een autofabriek… Wellicht moet een select groepje journalisten zich Ford wanen en gewoon diepgaandere artikelen door de strotten van de gamers douwen. Dan weten ze hoe lekker die ‘exotische’ genres kunnen smaken en leven we allemaal nog lang en gelukkig.
Even eerlijk doen…
Zoals elk menselijk onderzoek is ook dat van mij niet perfect. Er zijn altijd minpunten. Zo was het tijdsbestek een groot probleem: in anderhalve maand kun je onmogelijk in één klap de mediawensen en -eisen van gamers analyseren. Dan moet je keuzes maken. Wie ondervraag je en hoe? De keuze viel al snel op de enquête. Zo bereik je veel mensen in een korte tijd en kun je gericht vragen stellen. Maar dan nog: wat zijn 109 gamers wanneer 70% van de Nederlandse bevolking videogames speelt? En misschien nog belangrijker: wie zijn die 110 gamers? Omdat ik hen heb gevonden op drie grote gamingsites (Insidegamer, Gaming Only en de You-familie) zijn ze natuurlijk absoluut niet representatief voor de gehele kudde. Sterker nog: dat ze zich op de ‘standaardwebsites’ begeven, zegt eigenlijk al genoeg. Waar zijn de lezers te vinden die wél graag diepere artikelen lezen? Bij de bladen? Op Engelstalige websites? Op Bashers?
Ruwe kantjes genoeg, maar het onderzoek schept toch een klein beetje duidelijkheid. En een klein beetje duidelijkheid is altijd nog duidelijker dan totale onduidelijkheid.


