In zijn column Jamboree schrijft Kars Alfrink over games die verder gaan dan het beeldscherm.

Een van de ontwerpers van het spel Pirateball omschrijft het als “extremely stupid”. Ik heb het laatst geleid op een gamefestival en kwam er achter dat het ook behoorlijk slim in elkaar zit.
Piratenhonkbal
Tegen potentiële spelers zeg ik altijd dat het honkbal is zoals piraten dat spelen. Dan krijg je al wel een beeld. Dat is het eerste slimme trucje: de naam is een metafoor voor hoe je het spel moet spelen. Vals spelen is een onderdeel van de (flinterdunne) fictieve laag van het spel. In de aankleding.
Als je aan slag bent, en je raakt de bal, neem je je knuppel mee naar het eerste honk. Daar wacht een tegenstander je op, hij heeft ook slaghout. Na een kort duel (de regels schrijven voor dat de speler op honk één “kind of a wuss” is) vervolg je je weg. Maar niet naar honk twee. Nee, je rent dwars over het veld, springt over de werpheuvel en loopt door naar het derde honk. Als je vanaf die plek terug rent naar waar je begon, heb je een punt. Dan is de volgende. Er zijn geen teams, het is ieder voor zich. Je kan niet met de bal afgetikt worden, maar afgegooid.
Een collega van mij omschrijft het spel als “semi-gestructureerd aanklooien”. Het is zeker zo dat je om deze persiflage-game met plezier te kunnen spelen ‘gevorderd’ moet zijn. Dat wil zeggen, de game is pas fun als je op meerdere lagen tegelijk kan spelen, niet alleen letterlijk de regels navolgt en probeert te winnen, maar ook de ironie inziet van wat je aan het doen bent, en het spel op dat niveau goed probeert te spelen.
Regels formaliseren
Door te klooien met de regels van honkbal introduceert Pirateball ook een onverwachte moeilijkheidsgraad, nog zo’n slimme truc. Zeker als je op school een beetje fanatiek meedeed met slagbal en aanverwante spellen. Hoe vaak ik niet spelers hun knuppel resoluut naar de grond heb zien werpen bij een rake mep om vervolgens halverwege de sprint naar het eerste honk terug te moeten. Want daar staat die – ietwat softe – psychopaat met die andere knuppel. Of de speler die na een geslaagd duel bij honk één naar honk twee begint te rennen en van koers moet veranderen omdat hij toch écht over de slagheuvel moet springen; zo zijn de regels nu eenmaal. Hilariteit alom.
Je moet dus oude reflexen van aanverwante spellen vergeten om Pirateball goed te kunnen spelen. Slim.
De regels van Pirateball formaliseren dus een potje honkbal gespeeld door valsspelende piraten. Voor mij een mooi voorbeeld van de gelaagdheid, die zelfs een ogenschijnlijk simpele ‘urban game’ kan hebben.
Illuminati
Mocht je niet genoeg krijgen van ‘spelen met vals spelen’, dan kan ik je ook aanraden eens een paar potjes van het bordspel Illuminati te spelen. Als je de basics in de vingers hebt, raadt Steve Jackson, de maker van het spel, je aan om de extra regels voor vals spelen te introduceren. Ik citeer uit de regels:
Suggested methods for cheating include:
1. Accidentally misread the dice.
2. Steal from the bank
[…]
4. Stack the deck, or peek ahead.
5. If anyone leaves the table, anything goes!
In tegenstelling tot Pirateball gebruikt Illuminati de sociale laag van het spel als medium voor geformaliseerd vals spelen. Je kan dus prima het spel op het ene moment volgens de regels spelen, om even later de onoplettendheid van je medespelers te misbruiken voor een stevige cheat. Net als met Pirateball moet je in staat zijn om het spel op meerdere niveaus tegelijk te spelen. Je moet aanvoelen wat vals spelen volgens de regels is, en wat gewoon simpel spelbederf is. Daarom zegt Steve Jackson ook: “We recommend you play the Cheating Game only with very good friends, or with people you will never see again.”
Wat deze beide voorbeelden in ieder geval laten zien door uitvergroting is dat bij ieder spel er naast de geschreven regels een instinctief besef bij spelers moet zijn van hoe het spel goed gespeeld wordt. Dat is echt een vaardigheid, iets dat je moet leren. Pirateball en Illuminati confronteren je daarmee en maken het nog leuk ook.
