Rogier Kahlmanns column gaat over games in de breedste zin van het woord. Niemand is veilig voor Kahlmann, vooral hijzelf niet.

Ouderen die terugkijken op hun leven menen precies te kunnen vertellen wanneer ze echt gelukkig waren. ‘Toen ik met haar samen was’, ‘Toen ik mijn eerste kind kreeg’ of ‘Toen ik verhuisde naar de binnenstad’. Grote, veelzeggende zaken zoals relaties, familie en omgeving lijken onze meest gelukkige momenten te bepalen. Maar als mij op mijn sterfbed wordt gevraagd naar mijn ‘gelukkige periode’, dan zal mijn antwoord niets te maken hebben met dergelijke omvangrijke zaken. Ik zou mijn ogen sluiten en in een laatste adem maar een woord uitzuchten: ‘apenkooien’.
Midden jaren ‘80. Ik zat op de basisschool en ik weet nog goed hoe ik lessen als Engels en rekenen haatte. Hoe ik naar buiten tuurde en hoopte dat we snel weer op het pleintje mochten spelen en, zittend op de bielzen waartegen geknikkerd werd, onze schoolmelk zouden drinken. Hoogtepunt van deze schooljaren waren de vrijdagmiddagen als we gym hadden. Doordeweeks werd er ook gegymd, maar dat was vooral rondjes rennen en over bokken springen. Vrijdagmiddag daarentegen was feest: dat was de dag waarop we gingen apenkooien. Een enorm free for all waarin alle toestellen tevoorschijn kwamen om een paradijs te vormen van klimrekken, banken en touwen waarop een hectisch potje tikkertje gespeeld werd zonder dat iemand de grond mocht raken.
Kopstuk tijdens het apenkooien was een constructie van twee banken waartussen een rij touwen hing. Hier was ik het meest te vinden, wachtend op de ‘tikker’ om met het touw in mijn handen geklemd, naar de overkant te zwaaien. De sensatie was ongeëvenaard. Ik was Tarzan en Spiderman ineen en niemand kon me wat doen, het was fantastisch. Later verdween apenkooien uit het programma van de gymleraar en hoe ouder ik werd, hoe saaier en zakelijker gym leek te worden. De coopertest werd geïntroduceerd zodra ik naar de middelbare school ging. Heen en weer rennen tussen elektronische bliepjes die zouden meten hoe fit ik was. Gymles focuste zich steeds meer op uithoudingsvermogen, het lichaam, de saaiheid. De volwassenwording sloop langzaam in onze lessen en apenkooien werd iets van een ver en kinderachtig verleden. Inmiddels ga ik naar sportscholen waar ik als een mensrobot op stepmachines trap en aan gewichten trek om mijn conditie op pijl te houden. Dit is wat gymles geworden is. Dit is hoe het leven zich kennelijk ontwikkelt.
Achteraf had ons klasje misschien ruggengraat moeten tonen toen bekend werd dat apenkooien uit ons leven zou verdwijnen. Ik kan me voorstellen dat er collectief geprotesteerd zou zijn. Kennelijk laten de jongsten zich moedwillig meeslepen in de snode plannen van volwassenen. Als we dat toen eens wisten… Dan hadden we vast stampvoetend in de kleedkamers gestaan in onze witte hemdjes. Dan hadden we onze gymtasjes tegen het grote lijf van onze leraar aangeslagen als jonge rebellen. We zouden ervoor pleiten om apenkooien mee te nemen naar de brugklas. Het zou een olympische sport worden en zwaaien aan touwen een algemeen geaccepteerde vorm van vermaak.
Maar zo sterk was ik niet en nu speel ik andere spelletjes. Voor een TV en met een stuk plastic in mijn handen bestuur ik poppetjes die kunnen rennen, springen en aan lianen of touwen zwaaien. Deze computerspelletjes vullen het gat dat voor mijn pubertijd is ontstaan en alhoewel ze dat verdienstelijk doen, en alleen maar mooier en mooier worden, zal geen enkel spel het ooit winnen van dat ene ouderwetse potje apenkooien. Ja, ik weet het zeker, dat was de mooiste tijd van m’n leven.
