Rogier Kahlmanns column gaat over games in de breedste zin van het woord. Niemand is veilig voor Kahlmann, vooral hijzelf niet.

Enkele dagen geleden zat ik achter mijn computer een handeling te verrichten. Terwijl ik hiermee bezig was, drong zich een vraag aan mij op. Ondanks het feit dat de handeling niet direct van belang is voor het verdere verhaal, deed hij me toch denken aan een tafereel uit mijn jeugd. Ik kreeg last van een vreemdsoortig déjà vu dat zich uiteindelijk vormde tot een heldere, zonneklare vraag die mijn column zou inluiden: ’Waar is de joystick toch gebleven?’
De handeling staakte ik meteen. Ik stond op uit mijn stoel en ijsbeerde wat door de kamer. In mezelf mompelend beklaagde ik mij over hoe ik nu spelletjes speel. Ik krijg vingerkramp van joypads met meer dan veertien knoppen, ik krijg een muisarm van de WASD-besturing en dat gezwiep in het luchtledige waar Nintendo me toe dwingt, dat vind ik al helemaal niks. “Waar…”, zei ik ietwat theatraal tegen mezelf en gooide mijn armen hierbij in de lucht, alsof ik een god toesprak, “Oh waar is toch de Joystick gebleven!?” Ik keek naar beneden en voegde daar gebarend aan toe: “Waar, oh waar, is de elegante eenvoud van een knuppel en een knop gebleven?”
Vooropgesteld: ik ben geen retrofreak. Ik heb geen Atari 2600 of een SNES aangesloten, noch in huis of in mijn kelder. Ik hekel de hele ‘vroeger was alles beter’-arrogantie van stoffige nerds die zich niet meer thuis voelen in de snelle wereld van Playstations en Xboxen, die zichzelf superieur wanen door zich met de meest obscure weetjes over dertien jaar oude JRPG’s te bezigen.
Ik houd van vooruitgang, betere graphics en geluid. Megaman 9 en 10 beschouw ik als de apotheose van de retrowaanzin en ik hoop dat men er spoedig uit wakker zal worden. Dat gezegd hebbende zou ik de joystick liever vandaag dan morgen terug willen zien in het spellenlandschap.
Ik was zeven of acht en mijn jeugdvriend, Sjoerd, had een Commodore 64. Ik weet nog als de dag van gisteren hoe we wachtten op spelletjes die moesten inladen. En als er eenmaal iets geladen was, dan omklemde degene die dan aan de beurt was de joystick met een passie waar zelfs pedofielen ongemakkelijk van zouden worden. Één hand om de knuppel en de andere hand op de knop. Alles klopte aan het ding. Het klikkende geluid dat de knuppel maakte, de holle rode knop aan de voorkant. Het was perfectie in design. Een droomstuk dat om volstrekt onduidelijke redenen naar de achtergrond verdween.
De gloriedagen van de joystick zullen wel nooit meer terugkomen nu het ding gestrand lijkt te zijn in de woestenij van flightsimulators. Maar zo wens ik het prachtstuk niet te herinneren. De joystick was mijn introductie in het gameslandschap, mijn ontmaagding. Ik neem mij voor om iedere avond even aan het apparaat te denken. Dat er handelingen zijn die daarbij helpen is enkel mooi meegenomen.
