Elke zondag lees je op Bashers een column van Stefan Popa.

Een hese stem leidt me naar een woonhuis tussen Suriname, Jamaica, Isla Margarita, Curaçao en Porto Rico. Trinidad, de eilandenbuurt in Almere. De vrouw aan de telefoon vraagt me rond één uur langs te komen. Ik ken de weg, dus sta om half één voor de deur, die dicht blijft. Dus wacht ik op een kunstmatig schiereiland in de lelijkste stad van Nederland. Met mijn stervende Playstation 3 onder mijn oksel.
Yellow Light of Death
Ik wacht liever buiten dan binnen, zo herinner ik het mij van de vorige keer. In de zelfgefabriceerde wachtkamer ruikt het naar de dood. Geprinte Mario’s en Wario’s (jazeker) lachen naar je, terwijl de eigenares van de telefoonstem mijn comateuze Playstation overneemt. In dit behandelcentrum loopt het personeel in joggingpak. Wel zo hygiënisch tijdens de soldeeroperaties.
Ze legt de Playstation aan het infuus en drukt hem aan. Piep, piep. Lampjes. Gele lampjes. Het beruchte ‘Yellow Light of Death’-virus heeft mijn console geïnfecteerd. Ik wil huilen, maar ik houd me in. Dat is niet netjes bij de vrouw des huizes. Maar God, wat riekt het naar een elektronisch sanatorium voor nerds (ongewassen sokken, verdampt zweet en blijdschapsurine).
Illegale zorg
De deurbel gaat. De zuster opent de deur. Ik excuseer haar. Het is geen spoedgeval, zie ik, wanneer een jongen – begeleid door moeders mooiste – zijn Wii terugkrijgt. Een zieke Wii bestaat niet, dus het apparaat is zojuist omgebouwd. Gratis vertier voor maar vijftig euro. Jongetje blij, mama blij, zuster blij, ik minder, Nintendo helemaal niet.
Het tweetal huppelt naar de auto. Mijn Playstation 3 wordt inmiddels losgekoppeld en naar de operatiekamer gebracht. Ik herinner de vrouw aan de afspraak van twee maanden geleden. De vorige keer heb ik vijftig euro betaald, waardoor ze twee keer voor niets het Yellow Light of Death-probleem verhelpt. Over anderhalf uur mag ik terugkomen. Of ik hier wacht. Tussen de stank en snoeren? Natuurlijk niet.
Playstation-aids
Buiten haal ik adem – ook al is de lucht van Almere. Ik bewandel de stad in een roes. In een gamezaak sla ik de Playstation-games over. Ik lees wat achterflappen van Xbox 360- en Wii-spellen. Tijddoding. Ik weet dat ik ze niet wil kopen. Na een korte speelsessie wil ik nog steeds geen Nintendo 3DS. Ik vraag of ze een ‘Battletoads’-versie voor de Nintendo 64 hebben. Hebben ze niet; bestaat ook niet. Ik maak alleen rotgeintjes als ik me zorgen maak.
‘Hij werkt weer’, zegt de zuster anderhalf uur later. Dit hoor ik voor de tweede keer. Mijn kopzorgen bereiken een hoogtepunt. Ik vraag haar hoeveel kans ik heb op een weerzien. “Honderd procent.” Ze kent haar oneliners: “Er is geen sprake van ‘of’, maar van een ‘wanneer’.” De keer op de volgende keer moet ik mijn portefeuille niet vergeten.
Mijn Playstation is dus dodelijk ziek. Playstation-aids. Mijn PlayStation 3 is weliswaar zeer kundig gereanimeerd (huldeblijk!), maar zijn lampje dooft langzaamaan. Hij wordt alsmaar zieker. Voorlopig genieten we alle twee van zijn leven. Het kan nog maanden duren, maar voor hetzelfde geld(t) is het morgen voorbij. Dan worden zijn lichten gedoofd. De gele. En de rode, de blauwe en de groene.
